artikel

Temperatuureis warm tapwater in NEN 1006 kan omlaag

sanitair

De NEN 1006-eis voor warm tapwater van minimaal 55 °C in individuele installaties kan best nog omlaag, zegt onderzoeker Hans van Wolferen. Deze temperatuureis is namelijk vooral functioneel en niet, zoals vaak wordt gedacht, noodzakelijk voor legionellapreventie. Hierdoor kan veel energie bespaard worden.

Temperatuureis warm tapwater in NEN 1006 kan omlaag

Tekst: Joop van Vlerken

 

In opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken deed zelfstandig adviseur Hans van Wolferen onderzoek naar het verlagen van de warmtapwatertemperatuur in individuele installaties. De directe aanleiding voor zijn onderzoek was de motie die Tweede Kamerlid Tom van der Lee op 14 juni 2018 indiende: “Constaterende dat op dit moment wordt vereist dat warm tapwater op 55°C gehouden moet worden om legionellabesmetting te voorkomen; overwegende dat er andere manieren mogelijk zijn om legionellabesmetting te beheersen; overwegende dat deze eis tot suboptimale keuzes leidt bij duurzame warmteplannen voor wijken in steden; verzoekt de regering, de mogelijkheden te onderzoeken voor het verlagen van deze eis, zonder dat dit gevaren voor de volksgezondheid oplevert, en gaat over tot de orde van de dag.

 

Duurzame warmtetechnieken

De achterliggende vraag bij de motie Van der Lee is of duurzame warmte uit zonneboilers, warmtepompen of wko-systemen efficiënter gebruikt kan worden voor warmtapwaterbereiding. De redenen om een lagere tapwatertemperatuur dan 55 °C te hanteren, zijn dan ook duidelijk, vertelt Van Wolferen: “De motivatie daarvoor is energiebesparing of een hoger energetisch rendement. Bij de toepassing van cv-combiketels was het op 55°C houden van het warmtapwater nooit een probleem. De combiketel is in essentie een tegenstroomwarmtewisselaar, waardoor de uitgaande temperatuur niet het rendement van de ketel bepaalt. Bij nieuwe technieken zoals de warmtepomp is dat anders. Als een warmtepomp het tapwater tussen de 55 en 60 °C moet houden, is de COP van het toestel flink lager dan bij bijvoorbeeld 40 °C.”

 

NEN 1006

In de NEN 1006, de norm met Algemene voorschriften voor leidingwaterinstallaties, staat: “De temperatuur aan het mengtoestel of aan het tappunt in een woninginstallatie zonder circulatie moet bij gebruik conform de ontwerpcondities ten minste 55 °C zijn.”

Hans van Wolferen: “Er zijn eigenlijk twee redenen om deze eis zo te stellen: de legionella-eis en de functionele eis. Tot mijn verbazing bleek de functionele eis het belangrijkst.”

De 55 °C-eis in de NEN 1006 is in individuele installaties voor legionellapreventie niet nodig, vertelt hij. “Je kunt de temperatuur ook lager instellen. Bij een lagere temperatuur dan 55°C moet het toestel wel wekelijks thermisch worden gedesinfecteerd, bijvoorbeeld door het water voor een periode van meer dan 20 minuten boven de 60 °C te brengen.”

 

Thermische desinfectie

In de NEN 1006 zijn de eisen voor de temperatuur in relatie tot de standtijd voor warmtapwatervoorraadtoestellen omschreven. Als in een warmtapwatervoorraadtoestel de temperatuur niet continu op alle plaatsen minimaal 60 °C is, of in een woninginstallatie zonder circulatiesysteem mimimaal 55 °C, dan moet ter voorkoming van bacteriologische nagroei minimaal wekelijks thermisch worden gedesinfecteerd.

“Als een consument de thermostaat van het voorraadvat lager instelt, bijvoorbeeld op 45 of 50 °C kan hij veel energie besparen, maar het vat wordt zo wel een ideale kweekvijver voor legionella. Pas bij 60 °C of hoger begint de bacterie af te sterven. Daarom is het voor legionellapreventie van belang dat het water wekelijks gedesinfecteerd wordt.”

 

Niet nodig voor legionellapreventie

Als je alleen naar de legionella-eis kijkt, kunnen de temperaturen in individuele installaties voor het warm tapwater omlaag, vertelt hij. “Maar dat bepaal ik niet. Het is uiteindelijk aan de NEN-commissie om te beslissen of dit een goed idee is. Ik heb onderzoek gedaan in opdracht van het ministerie van Binnenlandse Zaken en zie dat de warmtapwatereis van 55 °C in principe niet nodig is voor legionellapreventie. De werkelijke eis is functioneel en daaraan kun je ook op andere manieren tegemoet komen.”

 

Niet op alle tappunten

Als je de eis op die manier benadert, krijg je andere mogelijkheden, legt Van Wolferen uit. “Het is niet nodig om op alle warmtapwaterpunten continu 55 °C te hebben. Het meeste warm tapwater wordt gebruik op een temperatuur van circa 40°C. De eis zou bijvoorbeeld beperkt kunnen worden tot het keukentappunt en een tappunt in de badkamer. Voor woningen met alle kamers gelijkvloers, zoals appartementen, kan wellicht worden volstaan met het keukentappunt.”


 

Niet hele voorraadvat

Van Wolferen legt uit dat er verschillende mogelijkheden zijn om aan de functionele eis van warm tapwater in de keuken te voldoen. “Je hoeft niet het hele voorraadvat met warm tapwater op 55 °C te houden. Dat kun je ook oplossen met een close-in-boiler of een Quooker. Of je kunt een booster installeren waarmee je het water tijdelijk op een hogere temperatuur kunt zetten. Die booster kun je dan op afstand bedienbaar maken, zodat mensen alleen een knop hoeven in te drukken bij het keukentappunt als ze water van 55 °C of meer nodig hebben.”

 

Energiebesparing

“Voor de eisen die nu in de NEN 1006 staan, is de functionele eis de hoofdoverweging met de legionella-preventie als bijvangst.” Door nieuwe technieken ontstaan er vraagtekens bij de functionele eis, omdat die in nieuwe installaties veel energie kost, legt Van Wolferen uit. “In een warmtepompinstallatie kan 10 tot 20% bespaard worden op het elektriciteitsverbruik als je een lagetemperatuurvoorraadvat en een booster gebruikt.”

En dan is er nog een winstpunt, gaat hij verder. “Door het verlagen van de warmtapwatertemperatuur, dalen de verbrandingsrisico’s. Maar als één keer in de week de warmtapwatertemperatuur naar 60 °C gaat, kan dit de gebruiker wel verrassen, wat juist weer een hoger verbrandingsrisico met zich meebrengt.”

 

Booster

Van Wolferen is, nadat hij zich realiseerde dat de 55°C-eis primair functioneel is, op zoek gegaan naar manieren om toch 55 °C op het tappunt te krijgen zonder de complete warmtapwatervoorraad te hoeven te verwarmen. Hij kwam uit op het idee van een booster, maar dat betekent volgens hem niet dat er geen andere manieren zijn. “Ik heb een idee opgepikt dat ik voorbij heb zien komen en heb dat wat verder uitgewerkt, maar ik denk dat er zeker andere manieren zijn om deze problematiek op te lossen. Naar mijn idee zullen er meerdere uitwerkingen komen als de eis in NEN 1006 eventueel losgelaten wordt.”

 

Aandachtspunten voor de installatie

Een lagere tapwatertemperatuur heeft gevolgen voor de volgende aspecten van het installatieontwerp:

Functioneren mengkranen

  • Het is onbekend en onzeker of alle typen mengkranen goed functioneren als de warmwatertemperatuur dicht bij de gewenste mengtemperatuur ligt.

Grootte voorraadvaten en warmtewisselaars

  • Bij verlaging van de taptemperatuur van 55 naar 40°C dient het voorrraadvat 50% groter te zijn om eenzelfde hoeveelheid energie op te slaan. In plaats van bijvoorbeeld 150 liter is dan 225 liter vereist. Warmtewisselaars is bijvoorbeeld afleversets moeten eveneens vergroot worden.

Dimensioneren leidingen

  • Een lagere vattemperatuur vereist een hoger tapdebiet voor het warme water. In sommige situaties zal de leidingdiameter één maat groter moeten worden gekozen.

Wachttijd tappunt

  • In de Waterwerkbladen is de wachttijd aan het tappunt nu gedefinieerd als de tijd die verstrijkt tot het warme water 45°C is. Bij een lagere vattemperatuur is deze definitie niet meer bruikbaar en moet dus worden aangepast.

 

Reageer op dit artikel