nieuws

60 miljoen euro extra subsidie voor warmtepompen en zonneboilers 

klimaattechniek

De opdracht van 25% minder CO2-uitstoot in 2020 zou aanzienlijk dichterbij zijn gekomen, zo blijkt uit een doorrekening van het Planbureau voor de Leefomgeving. Maar er ligt nog een stevige opdracht. Daarom neemt het kabinet extra maatregelen.  

60 miljoen euro extra subsidie voor warmtepompen en zonneboilers 

Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft de effecten van het klimaat- en energiebeleid van dit kabinet doorgerekend. Met de maatregelen uit het Klimaatakkoord kan Nederland de opgave om de CO2-uitstoot met 48,7 miljoen ton te verminderen, waarmaken.  

 

Klimaat- en Energieverkenning 

Dat schrijft minister Eric Wiebes van Economische Zaken en Klimaat in een brief aan de Tweede Kamer, waarmee hij de eerste Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2019 aanbiedt. Hij constateert tegelijkertijd dat er nog werk te verzetten is om alle klimaatdoelen te halen. 

  

49% reductie in 2030 

Sinds de start van de gesprekken over het Klimaatakkoord is de prognose van de CO2-uitstoot in 2030 namelijk toegenomen, zo blijkt uit de KEV. Dat komt door verschillende factoren, waaronder een bijstelling van CBS-cijfers en de economische voorspoed. Bij de huidige prognoses zal Nederland daarom extra CO2-uitstoot moeten verminderen om het doel van 49% reductie in 2030 te realiseren. Want als het tegenzit komt dit percentage bij de huidige maatregelen op 43%. Door de economische groei zijn de broeikasgasemissies in de laatste twee jaar namelijk minder hard gedaald dan in 2017 was voorzien. 

 

Nog dit jaar 60 miljoen euro extra subsidie voor de aanschaf van bijvoorbeeld warmtepompen en zonneboilers

 

Klimaatdoelen 2020 

Uit de KEV 2019 zou verder blijken dat de opdracht van 25% minder CO2-uitstoot in 2020 aanzienlijk dichterbij is gekomen. Afgelopen januari lag er nog een opgave 9 Megaton CO2-reductie. Het kabinet concludeert aan de hand van de KEV 2019 dat het gat is teruggebracht tot 2 Megaton. 

 

Productie hernieuwbare energie 

Het kabinet ziet daarnaast een flinke versnelling in de productie van hernieuwbare energie. De verwachting is dat het aandeel hernieuwbare energie tussen 2017 en 2020 met 70% toeneemt. Met deze versnelling zal Nederland zijn klimaatdoel voor 2023 halen, maar het doel voor 2020 niet, zo stelt het kabinet in de brief. Het eerste doel is echter een streven, terwijl het doel voor 2020 via de rechter is afgedwongen door de milieu-actiegroep Urgenda (in 2020 25% daling CO2 t.o.v. 1990, red.). 

 

De verwachting is dat het aandeel hernieuwbare energie tussen 2017 en 2020 met 70% toeneemt

Hernieuwbare energie 

Minister Wiebes kondigt daarom extra maatregelen aan om de klimaatdoelen te realiseren. Het kabinet zet daarbij in op maatregelen die particulieren en bedrijven verleiden om klimaatmaatregelen te nemen. Zo stelt het kabinet een subsidieronde beschikbaar voor projecten in hernieuwbare energie via de zogeheten SDE+ 

 

Subsidie warmtepompen en zonneboilers 

Ook komt er nog dit jaar 60 miljoen euro extra subsidie voor de aanschaf van bijvoorbeeld warmtepompen en zonneboilers. Verder wil het kabinet de plaatsing van zonnepanelen op gebouwen van de overheid, scholen en bij particulieren versnellen. Aanvullend hierop blijft het kabinet actief zoeken naar maatregelen om de doelen voor 2020 te realiseren. De auteurs van de energieverkenning constateren overigens dat de snelheid en omvang van de opmars van (hybride) warmtepompen moeilijk is in te schatten. “In onze raming zijn we uitgegaan van een penetratiegraad van 8 tot 22 procent in 2030.”

 

Interessante feiten uit het KEV voor wat betreft warmtepompen:

  • De elektriciteitsvraag op de langere termijn blijft in Europa ruwweg gelijk of laat een lichte groei zien. Elektrificatie is nog beperkt doordat elektrisch vervoer een matige groei laat zien en warmtepompen een lage groei.
  • Ruim de helft van het finaal energieverbruik wordt gebruikt voor warmte. In 2017 is dat 989 PJ en dit daalt in de raming met voorgenomen beleid naar 871 PJ in 2030. Hierbij valt de door warmtepompen gewonnen omgevingsenergie niet onder finaal verbruik.
  • De broeikasgasemissie uit de gebouwde omgeving daalt tot 2030 door besparing op het aardgasverbruik. Steeds efficiëntere apparaten en verlichting compenseren de groei van het elektriciteitsverbruik door meer inzet van warmtepompen.
  • Tot 2030 zal het gebruik van warmtepompen in huishoudens toenemen en daarmee ook de vraag naar elektriciteit. Per saldo blijft de vraag naar verwachting licht dalen, tot 78 PJ in 2020 en 71 PJ in 2030
  • Huishoudens in bestaande, op gas gestookte woningen, stappen nog maar zeer sporadisch over op alternatieve verwarmingsmethoden.
  • De snelheid en omvang van de opmars van (hybride) warmtepompen is moeilijk in te schatten; de auteurs van de klimaat- en energieverkenning gaan in een raming uit van een penetratiegraad van 8 tot 22 procent in 2030.
  • Op basis van analyses van de subsidieaanvragen tot 2018 is geprognotiseerd dat in woningen 1,5 PJ  extra bespaard wordt in 2020 door de ISDE-regeling.
  • Meestal bestaat een NOM-concept uit een sterk verbeterde isolatie van de schil, in combinatie met een lucht-waterwarmtepomp en zonnepanelen.
  • De BENG-eisen leiden naar verwachting wel tot meer warmtepompen. Of deze dan volledig elektrisch dan wel hybride zullen zijn is onzeker. De BENG-eisen leveren 1,0 PJ extra hernieuwbare energie.

 

Interessante feiten uit het KEV voor wat betreft zonnepanelen:

  • De opgestelde capaciteit van zonnepanelen voor zonnestroom steeg in 2018 met een recordhoeveelheid van ruim 1.500 megawatt naar totaal 4.400 megawatt.
  • De opgestelde capaciteit zonnestroom groeit naar verwachting naar 9.000 MW in 2020, 15.000 MW in 2023 en 27.000 MW in 2030.
  • In 2030 is circa 30 procent van dit vermogen opgesteld bij huishoudens. De zonneweides vormen circa 37 procent van het opgesteld vermogen en de overige circa 30 procent bevindt zich onder andere op daken van bedrijven.
  • Lidstaten moeten besparen op finaal energieverbruik, in plaats van op de levering van energie aan eindafnemers. Daarmee zou hernieuwbare energie achter de meter buiten de besparingsmogelijkheden vallen. Maar de Lidstaten tellen ook de kleinschalige opwekking van elektriciteit met zonnepanelen achter de meter als besparing. Nederland heeft hier ook voor gekozen.
  • Naast de daling van de vraag naar elektriciteit is er ook een snelle opmars van zonnepanelen bij huishoudens. Hierdoor wordt een steeds belangrijker deel van de elektriciteitsvraag van huishoudens gedekt met door huishoudens zelf opgewekte stroom. Per saldo daalt hierdoor de levering vanuit het elektriciteitsnet nog sneller dan de vraag zelf.
  • Per saldo is de hoeveelheid elektriciteit die huishoudens met zonnepanelen opwekken sinds 2005 (0 procent) gestegen naar acht procent van de vraag in 2018. Het aantal zonnepanelen zal naar verwachting nog sterk blijven stijgen. In 2030 zal het aandeel zelf-opgewekte elektriciteit naar verwachting 36 procent zijn. Dit staat dan voor alle huishoudens samen gelijk aan 26 PJ hernieuwbare elektriciteit.
  • Zonnepanelen die elektriciteit produceren verdringen zonneboilers die warm water produceren. De beperkte groei van zonneboilers tot 2010 is nagenoeg tot stilstand gekomen.
  • Meestal bestaat een NOM-concept uit een sterk verbeterde isolatie van de schil, in combinatie met een lucht-water warmtepomp en zonnepanelen.
  • het plaatsen van zonnepanelen is arbeidsintensief werk. Voor zonne-energie steeg de werkgelegenheid tussen 2014 en 2017 met bijna 60 procent en voor energiebesparing met circa 25 procent.

 

Reageer op dit artikel