artikel

Geveltechniek en gebouwinstallatie groeien naar elkaar 

klimaattechniek

Gevelbouwers en installateurs werken nu nog vaak langs elkaar heen. Maar daar lijkt verandering in te komen. Door samen op te trekken, staan de onderaannemers sterker. Ook veranderende inzichten en eisen over energieverbruik en circulariteit doen gevelbouwers en installateurs naar elkaar toe trekken.  

Geveltechniek en gebouwinstallatie groeien naar elkaar 
Het voormalige VROM-gebouw in Den Haag kreeg na een duurzame renovatie een zeer transparante gevel. Beeld: Poortcentraal
Door Tijdo van der Zee

 

Bij de bouw van woningen of kantoren stuurt traditioneel de hoofdaannemer de installateur en de gevelbouwer van boven aan. Door deze hiërarchische constructie kan het gebeuren dat het contact tussen de onderaannemers vaak tot het hoogstnoodzakelijke beperkt blijft. En dat is zonde, want gevel en installatie zijn eigenlijk niet los van elkaar te zien. Onderlinge afstemming ligt voor de hand. Dat beseffen ook de installateurs en gevelbouwers. Brancheorganisaties onderzoeken hoe die afstemming vorm kan krijgen.

“In feite is het niks nieuws wat we nu doen”, zegt Martijn Veerman, projectcoördinator bij gevelbrancheorganisatie VMRG, “het denken hierover gaat al terug tot de jaren ’80. Grote bedrijven met flinke R&D-afdelingen, zoals Scheldebouw, onderzoeken al lang hoe je intelligent met je gevel om kan gaan.” Voor samen optrekken zijn genoeg technische argumenten aan te voeren, maar een commercieel argument mag niet onbenoemd blijven. “Zo’n 20 procent van de bouwsom komt voor rekening van de gevel. De installaties gebruiken ongeveer 40 procent van het budget. Samen zit je dus op 60 procent. Daarmee sta je heel sterk tegenover de hoofdaannemer. Je kan er op die manier voor waken niet uitgeknepen te worden.”

Desondanks leverde al dat onderzoek en deze commerciële drijfveer tot voor kort weinig concreets op, beaamt Veerman. “Maar door de circulaire economie en nieuwe businessmodellen, zoals Building as a Service, krijgt de samenwerking een nieuwe impuls.” Projectontwikkelaars met flexibele wensen, die een gebouw na tien jaar willen kunnen demonteren bijvoorbeeld, zegt Veerman, beginnen in te zien dat het handig kan zijn om gevels met geïntegreerde plug-andplay installaties neer te zetten. “Neem een ontwikkelaar als OVG, of De Mannen van Schuim. Zij hebben er wel oren naar. We verkopen dan geen product meer, maar een service, we verlenen comfort.”

 

Leasegevel

Als voorbeeld noemt Veerman de recente proef met verschillende gevelsystemen van verschillende bedrijven op de TU Delft. Daar zijn september vorig jaar vier gevelunits geïnstalleerd waarin functies als zonwering, warmteterugwinning en energieopwekking zijn geïntegreerd. De vier systemen verschillen alle iets van elkaar, zodat aan het eind van de proef duidelijk moet zijn welke het beste werkt. Deze gevelsystemen zijn speciaal ontwikkeld om ingezet te worden in Esco-achtige constructies. Het onderzoeksteam heeft het concept de naam ‘circulaire integrale gevel als een service’ gegeven, in de volksmond ‘de leasegevel’ genoemd. Veerman: “Het mooie is dat deze toegevoegde functies geen afbreuk hoeven te doen aan het design.”

Daniëlle Dikhoff, community manager kennisontwikkeling bij TVVL, voorziet dat samenwerking tussen installateurs en gevelbouwers zowel bij nieuwbouw als bij renovaties tot stand zal komen. “In 2023 moeten bestaande kantoorgebouwen verplicht energielabel C hebben, in 2030 is dat zelfs energielabel A. Je moet hier nu al op anticiperen. Met installatietechnische oplossingen alleen lukt het je nu misschien nog wel om label C te halen, maar dan zit je zeven jaar later met de problemen, want dan heb je echt de gevel erbij nodig. Dus als je duurzaam gaat renoveren, dan moet je nu eigenlijk al de gevel en de installatie in samenhang bekijken.”

Geïntegreerde installatie-gevelconcepten bij renovaties hebben voordelen, zegt Dikhoff. Ze somt op: “Je kan ze makkelijk prefabriceren, de montageconditities zijn beter, waardoor betere efficiëntie haalbaar is. Door de installaties in de gevel te verwerken hou je een hoger plafond over en gebouwgebruikers ondervinden minder hinder van het installatiewerk.”

 

Regenjas

Het is volgens Veerman en Dikhoff aan de producenten, gevelbouwers en installateurs zelf om interessante concepten te bedenken. Hoe diep gaat de integratie? Is bijvoorbeeld een warmtepomp op te nemen in de schil? Een bedrijf als Nefit – ketelbouwer en warmtepompfabrikant – denkt van wel. Het ontwikkelde de Energy Bar, een systeem dat warm tapwater en ruimteverwarming levert en verkrijgbaar is in een hybride en all electric variant. Deze Energy Bar is bijna volledig geïntegreerd in de schil. De module wordt bevestigd aan de zoldervloer, de vloer van de eerste verdieping en de vloer van de begane grond. Dat geeft de mogelijkheid om de leidingen meteen op de
verdieping te hebben waar ze horen. De Energy Bar is verzonken in de schil, en omdat die schil ruim twintig centimeter dik is, steekt er nog maar een halve meter van de energiemodule naar buiten. Eerder dit jaar werden twee prototypes tentoongesteld in de eigen productiehal in Deventer.

Waar Veerman van gecharmeerd is, is het concept van de ‘tweede huid’, zoals die bijvoorbeeld is toegepast in de Rabobank-torens bij het treinstation van Utrecht. “De isolatie zit dan aan de binnenste schil. De buitenkant bestaat uit enkelglas, je kan het zien als een regenjas. Hij is niet luchtdicht, maar werkt wel als een schacht waardoor de door de zoninstraling opgewarmde buitenlucht naar boven gaat en per verdieping kan worden afgegeven.” En Dikhoff vult aan: “De zonwering kan bij zo’n tweede huid achter de tweede gevel worden geplaatst. Daarmee wordt de zonwering ook op hoge hoogte beschermd tegen wind en andere weersinvloeden.”

 

BENG

In 2021 worden voor nieuwe woningen en kantoren de BENG-eisen van kracht. Het lijkt er op dat vooral ten aanzien van energiebesparende maatregelen – lees: isolatie – de uitdagingen groot zijn. Immers, er zijn nog niet veel gebouwen in Nederland die voldoen aan de eis van maximaal 25 kWh/m2/jaar bij woningen of maximaal 50 kWh/m2/jaar bij kantoren. Om dat te halen heb je gevels nodig met een zeer lage u-waarde (warmtedoorgangscoëfficiënt, red.), gecombineerd met een uiterst lage qv10-waarde (luchtdoorlatendheid).

Veerman: “Je gaat met BENG echt naar luchtdichte gevels. Dat heeft wel impact. Je moet werkelijk alles met tape afplakken en alle aansluitingen met bouwkundige kaders kitten. Normaal zet je een kozijn over het stelkozijn en zorgt het aanslagrubber voor de binnen- en buitendichting. Maar wil je het helemaal luchtdicht krijgen, dan zijn extra maatregelen nodig.” Dikhoff beaamt dat: “Je moet echt heel nauwkeurig gaan werken.”

Het is híer dat de installatiewereld en de gevelbouwers heel direct met elkaar te maken krijgen. Dikhoff: “Want het gekozen ventilatieconcept heeft consequenties voor de isolatiewaarde van de gevel om aan de eerste BENG-eis te voldoen. En andersom ook. Een gevel met een matige isolatiewaarde maakt dat je straks beperkt wordt in het aantal ventilatieconcepten dat je kunt kiezen.” TVVL en VMRG maken op dit moment berekeningen aan allerlei varianten, om duidelijk te krijgen welke consequenties BENG gaat hebben op het gevel- en installatieconcept. In september worden de eerste resultaten gepresenteerd.

 

 

 

 

 

 

 

 

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels