artikel

Rijk laat BENG-teugels flink stuk vieren

energie

De presentatie van het nieuwe concept voor BENG leverde gemengde reacties op: variërend van verontwaardiging bij de één tot opluchting bij de ander. Wat is er precies aan de hand? Hoe ziet het nieuwe BENG-concept eruit en welke stappen volgen nog tot BENG wettelijk van kracht wordt?

Rijk laat BENG-teugels flink stuk vieren
Het appartementengebouw Terwijde Zuidoost in Leidsche Rijn, Utrecht met 121 levensloopbestendige driekamerappartementen. Opdrachtgever Mitros, realisatie Heijmans. Vooruitlopend op de stelselverandering voldoet het complex aan alle voorgenomen BENG-eisen van vóór 20 november 2018.

Tekst: Henk Bouwmeester

Er is een nieuw concept voor BENG, het stelsel van energienormen dat vanaf 2020 voor de hele nieuwbouw geldt. Het is op 20 november 2018 gepresenteerd door het ministerie van BZK tijdens het congres ‘Energieprestatie 2.0’ in Barneveld. Ten opzichte van het eerste BENG-concept uit 2015 zijn de eisen flink versoepeld. De presentatie leverde dan ook gemengde reacties op: variërend van verontwaardiging bij de één tot opluchting bij de ander. Wat is er precies aan de hand? Hoe ziet het nieuwe BENG-concept eruit en welke stappen volgen nog tot BENG wettelijk van kracht wordt?

 

Wat is BENG?

BENG staat voor ‘bijna energieneutraal gebouw’ en het is een stelsel van energie-eisen dat op 1 januari 2020 in de plaats komt van de huidige EPC. De definitie van BENG is in Europa globaal vastgesteld in de EPBD-Recast (Energy Performance of Buildings Directive). Het ministerie van BZK en RVO hebben de BENG-indicatoren en -eisen binnen dat kader uitgewerkt. De energieprestatie wordt uitgedrukt met drie indicatoren:

  • BENG 1: De energiebehoefte van het gebouw in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar.
  • BENG 2: Het primair (fossiele) energiegebruik in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar.
  • BENG 3: Het aandeel hernieuwbare energie in procenten.

De eisen die aan deze indicatoren worden verbonden, worden wettelijk vastgelegd en gelden vanaf 1 januari 2020 voor alle nieuwe gebouwen.

 

BENG-eisen 2015 veroorzaken paniek

Op 2 juli 2015 raakte de bouwwereld in paniek toen de minister in een brief aan de Tweede Kamer de voorgenomen BENG-eisen bekendmaakte. Voor BENG 1 en 2 zou 25 kWh per m2 per jaar als maximum gelden en voor BENG 3 werd 50 procent als minimum gesteld. Sindsdien zijn de getallen 25-25-50 een eigen leven gaan leiden.
Koplopers in de zeer energiezuinige nieuwbouw zijn er inmiddels in geslaagd gebouwen te realiseren die aan de voorgenomen eisen voldoen. Maar zij laten en passant zien dat de lat wel erg hoog is gelegd. Voor rijtjeshuizen is het allemaal haalbaar, maar woningen met erkers, patio’s en dakkapellen vallen al snel uit de boot. Ook vrijstaande woningen, hele kleine (tiny) woningen en hoogbouwappartementen zijn binnen dit stelsel lastig te realiseren. En waar de koplopers vorderingen maken, dreigt voor veel mainstream bouwpartijen diskwalificatie.

 

Versoepelde BENG-eisen 2018

Op 20 december 2018 werd aan alle paniek in één klap een einde gemaakt toen de nieuwe voorgenomen eisen werden gepubliceerd: 70-30-50 voor grondgebonden woningen en 70-50-40 voor gestapelde bouw. De paniek sloeg om in scepsis en verontwaardiging. Volgens critici leiden deze twee-vingers-in-de-neuseisen nauwelijks tot een verbetering ten opzichte van een EPC van 0,4. Eerder tot een verslechtering. Tijd om de feiten op een rij te zetten.

 

Hoe ziet BENG er nu uit?

De BENG indicatoren hebben betrekking op gebouwgebonden functies. Bij woningbouw zijn dat energie voor verwarming en koeling, tapwaterverwarming en hulpenergie voor installaties (pompen en ventilatoren). Bij woningenbouw wordt de energie voor verlichting buiten beschouwing gelaten. Ook huishoudelijke apparaten tellen niet mee.
Een gebouw moet gelijktijdig aan de drie indicatoren voldoen. De indicatoren hangen met elkaar samen, maar het is niet mogelijk een onvoldoende op de ene indicator te compenseren met een ruime voldoende op een andere. Bij utiliteitsgebouwen zien de indicatoren en eisen er overigens iets anders uit.

BENG 1: energiebehoefte

De eerste BENG-indicator heeft betrekking op de hoeveelheid energie die een woning vraagt voor verwarming en koeling. De energiebehoefte wordt uitgedrukt in kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar (niet te verwarren met de kilowatturen op de elektriciteitsmeter). Het nieuwe BENG-concept is op vier punten anders dan het oude concept:

  • De energiebehoefte wordt voortaan berekend op basis van de nieuwe norm NTA 8800. Tot nu toe werd hiervoor uitgegaan van de norm NEN 7120, zoals die ook voor de EPC wordt gebruikt. Deze leidt echter tot een geflatteerde uitkomst: het blijkt dat de werkelijke energiebehoefte hiermee stelselmatig 5 tot 10 kWh/m2.jaar te laag wordt inschat. De NTA 8800 corrigeert dat.
  • Voor ventilatie wordt voortaan een forfaitaire waarde ingevoerd, gebaseerd op een slecht regelbare ventilatievoorziening (natuurlijke toevoer zonder winddrukregeling en zonder warmteterugwinning). In de berekening moet voor het opwarmen van verse ventilatielucht rekening gehouden worden met een forse energiebehoefte in de ordegrootte van 20 kWh/m2.jaar. De invloed van het ventilatiesysteem wordt uiteraard wel verantwoord in BENG 2.
  • De eis voor BENG 1 wordt met 50 kWh/m2.jaar verhoogd als de verhouding tussen verliesoppervlak en gebruiksoppervlak van een woning groter is dan 2,2. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om kleine vrijstaande woningen (zoals tiny houses). Met dit extra ‘budget’ wil de overheid voorkomen dat via de achterdeur van energie-eisen wordt voorgeschreven hoe woningen eruit moeten komen te zien. Dat is een zaak van stedenbouw en particuliere keuzes. Overigens is deze compensatie maar van beperkte waarde, want voor BENG 2 bestaat een dergelijke correctiefactor niet.
  • De geadviseerde grenswaarde voor BENG 1 wordt ten opzichte van het oude concept verhoogd van 25 naar 70 kWh/m2.jaar. Dat is exclusief de eventuele compensatie voor woningen met een ongunstige verhouding verlies/gebruiksoppervlak.

BENG 2: primair fossiel energiegebruik

De tweede BENG-indicator begrenst de hoeveelheid fossiele brandstoffen die een woning jaarlijks gebruikt. Het gaat om energie uit aardgas (koken, tapwater en verwarming), het niet-hernieuwbare deel van externe warmtelevering en fossiele brandstoffen die nodig zijn om elektriciteit op te wekken. Het nieuwe BENG-concept verschilt op drie punten van het vorige:

  • De invloed van ventilatie wordt in z’n geheel in BENG 2 verantwoord. Een goed ventilatiesysteem (met sensorsturing en warmteterugwinning) brengt het primaire energiegebruik omlaag.
  • Voor het gebruik van netstroom wordt het rendement van elektriciteitsproductie verrekend. Tot nu toe moest gerekend worden met een gemiddeld opwekrendement van 39 procent (primaire energiefactor 2,56). In de nieuwe voorgenomen eis wordt gerekend met een rendement van 69 procent (primaire energiefactor van 1,45). Het Rijk anticipeert hiermee op de situatie in 2020. Volgens de Nationale Energieverkenning 2017 is deze factor in dat jaar realistisch dankzij verdere verduurzaming van de elektriciteitsvoorziening, vooral dankzij het groeiende aandeel windenergie, biomassa en zonne-energie.
  • De geadviseerde grenswaarde voor BENG 2 wordt ten opzichte van het oude BENG-concept verhoogd van 25 naar 30 kWh/m2.jaar voor grondgebonden woningen. Voor gestapelde woningen is de geadviseerde grenswaarde gesteld op 50 kWh/m2.jaar. Dat is omdat appartementsgebouwen per woning minder ruimte hebben voor pv-panelen. Daardoor kan de energiebehoefte minder worden ingevuld met eigen opwekking.

BENG 3: aandeel hernieuwbare energie

BENG 3 stelt een minimum aan het aandeel hernieuwbare energie. Dat is in het nieuwe BENG-concept nog steeds zo. De grenswaarde bij grondgebonden woningen was en blijft 50 procent. Dat wil zeggen dat minstens 50 procent van de primaire energiebehoefte moet worden opgewekt met hernieuwbare bronnen zoals zonne-energie (met pv-panelen), omgevingswarmte en het hernieuwbare deel van externe warmte. De grenswaarde bij gestapelde bouw wordt teruggeschroefd van 50 naar 40 procent.

 

Kostenoptimaliteit

Tussen bekendmaking van de eerste concepteisen en het pakket van voorgenomen eisen zoals nu gepubliceerd, is onder andere een ‘kostenoptimaliteitsstudie’ gedaan. Daarin is gekeken naar de grenswaarden die op de meest kosteneffectieve manier bijdragen aan (bijna) energieneutrale nieuwbouw. Daarbij is in de tussentijd om andere redenen gekozen om in versneld tempo te stoppen met aardgas. Ook dat dwingt bouwpartijen tot andere, vaak duurdere oplossingen. De nu vastgestelde grenswaarden maken volgens de overheid een soepele, non-disruptieve overgang van EPC naar BENG mogelijk. Critici zien hierin evenwel de hand van lobbyende bouwpartijen die het hoge tempo niet zo erg zien zitten.

 

Het kan wel: 71 NOM-woningen in Ouddorp en Stellendam. Opdrachtgever Beter Wonen, realisatie Dura Vermeer. Vrijwel alle woningen in het project voldoen ruimschoots aan alle voorgenomen BENG-eisen van vóór 20 november 2018.

‘Verslapping’ grenswaarden

De strakke teugels waarmee de bouwsector in 2015 in het gareel leek te worden gedwongen, worden nu opeens op veel plekken een flink stuk gevierd. De hogere grenswaarde voor BENG 1 wordt voor een deel verklaard doordat de onderliggende rekenmethode is veranderd. Dat zou een grenswaarde voor BENG 1 verantwoorden van rond de 50 kWh/m2.jaar. Daarmee ben je dus nog niet aan de 70 kWh/m2.jaar.
Per saldo leidt het nieuwe concept dus tot een verslapping. Daarmee is gehoor gegeven aan de roep van veel (niet alle!) bouwpartijen dat de strenge grenswaarden de bouwkosten ‘sky high’ zouden opdrijven en het werk voor veel bouwbedrijven in de praktijk onmogelijk zou maken. De vorige eisen waren aan de strenge kant; met deze eisen is de overheid doorgeschoten naar de slappe kant. Misschien heeft de snelheid van het proces hier parten gespeeld. Op 1 januari 2020 moet alles immers op de wagen staan hetgeen de ontwikkeling van het nieuwe BENG-concept onder hoge tijdsdruk zette.

 

Rendementsfactor voor elektriciteitsproductie

Ook over de gekozen rendementsfactor voor centrale elektriciteitsproductie is een felle discussie losgebarsten. Vooruitlopend op de situatie in 2020 wordt deze factor bijna verdubbeld naar 69 procent. De kans is reëel dat elektriciteit in 2020 inderdaad voor 69 procent wordt opgewekt met hernieuwbare bronnen. Maar daarmee is het nog geen appeltje-eitje om die waarde ook als rendementsfactor in BENG 2 in te voeren. Dat gaat immers voorbij aan andere maatschappelijke kosten van hernieuwbare energie.
Neem bijvoorbeeld de groeiende weerstand tegen nog meer windparken en nog meer zonnevelden. Of neem in beschouwing dat elektriciteitsnetten fors moeten worden verzwaard. Er verschijnen meer transformatiehuisjes in woonwijken om al die kilowatturen aan- en af te voeren. Kortom: ook als elektriciteit hernieuwbaar is opgewekt, moeten we er verstandig mee omgaan.

 

Voordeel restwarmte verkleind

Daar komt bij dat ieder energiesystemen hoogwaardige en laagwaardige energievormen kent. Een efficiënt systeem maakt daarvan gebruik als bij een cascade. En juist in de gebouwde omgeving is veel laagwaardige energie nodig voor verwarming en warm water. Daar wordt in een efficiënt systeem restwarmte voor benut.
Het zonder meer verhogen van de rendementsfactor naar 69 procent geeft een perverse prikkel. Het stimuleert het gebruik van elektriciteit en verkleint het relatieve voordeel van het gebruik van restwarmte. Critici zien hierin het werk van een effectieve lobby van leveranciers van infraroodverwarming. Die lobby is in ieder geval effectiever geweest dan die van leveranciers van restwarmte. Ook leveranciers van warmtepompen trekken aan het kortste eind. De rendementsfactor van 69 procent is een beleidskeuze. De overheid kan ook een andere waarde kiezen. Het is dan ook logisch dat daarover inmiddels vragen zijn gesteld in de Tweede Kamer.

 

BENG tussen nu en 2020

BENG lijkt niet uit te monden in de revolutie die in 2015 gloorde. Er is veel water bij de wijn gedaan en die wijn is vervolgens in nieuwe zakken overgebracht. Bovendien is het stelsel door alle aanpassingen en concessies behoorlijk complex geworden, waardoor het nog een hele kunst is om door de regels het overzicht te bewaren.
De nu gepubliceerde BENG-indicatoren en -eisen zijn overigens nog steeds een voornemen. In december 2018 organiseert het ministerie van BZK een klankbordbijeenkomst voor alle brancheverenigingen en in januari 2019 wordt een internetconsultatie gestart waar iedereen aan kan deelnemen. Dat kan nog interessante stof opleveren. Ook aan de klimaattafel Gebouwde Omgeving zullen hierover nog wel een paar noten worden gekraakt.
Verderop in 2019 volgen dan de wettelijke stappen om BENG in de bouwregelgeving op te nemen. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan de software waarmee bouwpartijen de benodigde berekeningen kunnen maken. Naar verwachting is de eerste gevalideerde software niet eerder dan na de zomer van 2019 beschikbaar.

 

Aanscherping BENG-eisen

Als BENG op 1 januari 2020 van kracht is, vervalt de EPC. De knoppen van BENG kunnen in de jaren daarna steeds verder worden aangedraaid, net zoals dat is gebeurd bij de EPC. In principe worden de eisen in 2023 opnieuw op kostenoptimaliteit getoetst. Een eventuele aanscherping volgt dan in 2025. Voor dit moment is het duidelijk dat BENG het nog lang niet zonder de ‘B’ van ‘bijna’ kan stellen. Wie het allemaal niet snel genoeg gaat, moet het zonder de stok van de regelgeving doen.

 

Reageer op dit artikel