artikel

Energielabels bestaande bouw: hoe zit het ook alweer?

energie

Energielabels komen voort uit de noodzaak om de bouw duurzamer en energiezuiniger te maken. Maar er zijn veel verschillende termen, certificaten en rekensystemen in omloop om de duurzaamheid van een gebouw vast te stellen. Adviseur Michel Deelen schept duidelijkheid.

Energielabels bestaande bouw: hoe zit het ook alweer?

Tekst: Marion de Graaff

 

Er zijn nogal wat termen, certificaten en rekensystematieken in omloop als het gaat om energielabels voor gebouwen. Een aantal daarvan geldt voor de bestaande bouw, andere hebben betrekking op nieuwbouw, en er zijn er ook die voor beide te gebruiken zijn. Verder is er een onderscheid in woningbouw en utiliteitsbouw. 

 

Veelheid aan labels

“Het is voor veel mensen – ook in de branche – lastig om door de bomen het bos te zien”, beaamt Michel Deelen, directielid/eigenaar van E&B Engineering en van IDEA Nederland. Hij heeft in de praktijk dagelijks te maken met energielabels in bouw en installatietechniek. Advies geven over energiebesparende maatregelen en installatieconcepten bij projecten en trajecten is immers de core business van beide bedrijven. Deelen: “Die veelheid aan labels is inderdaad nogal verwarrend. Zo wordt duurzaamheid in de bestaande bouw berekend met energieindexen die uit enorm veel criteria bestaan. Daar rolt een energieprestatieadvies (EPA) uit met bijbehorend energielabel.

 

EPA

De EPA is een basismethodiek die kijkt naar de gebouwgebonden energiestromen. Voor utiliteit is dat EPA-U en voor woningbouw is dat EPA-W. Daarbij gaat men ervan uit dat een gebouw verwarmd moet kunnen worden en de vraag is dan: wat hebben we aan energie nodig om dat te kunnen doen? Hoeveel energie is er nodig voor de verwarming, warm tapwater, ventilatie, hulpenergie,  basisverlichting, et cetera? 

 

Standaarden voor energieverbruik

Je kijkt dus puur naar de woning en de standaarden daarvoor: een gemiddeld aantal vierkante meters per woning van 120 geeft een gemiddeld aantal bewoners van 3,0 en daar hangen weer verbruikswaarden bij voor bijvoorbeeld tapwater.  

 

Opwekker van energie

Vervolgens wordt er gekeken naar de opwekker van de benodigde energie daarvoor. Is dat een geiser of een elektrische boiler of een cv-ketel met het keurmerk HR-ketel met warm water (HRww- keurmerk)?  Een cv-ketel die het HRww keurmerk draagt is niet alleen zuinig tijdens het verwarmen van het huis maar is dit ook bij het maken van warm water.  

 

Energielabel en Energie-index

Alle informatie over die energiestromen wordt vastgesteld en opgesomd en dat leidt tot een bepaald energielabel. De gebruiker wordt in die hele berekening niet meegenomen, het gaat puur om de capaciteit van het gebouw en dan ook nog eens met een gestandaardiseerde berekening. Bij een woonhuis reken je met een standaardtemperatuur van 18,6 graden, er wordt een standaardformule gehanteerd voor het verbruik van warm tapwater, en een standaardventilatienorm. Al die getallen worden in een formule gezet, samen met informatie zoals het aantal vierkante meter verliesoppervlak grenzend aan buiten en aan onverwarmde ruimtes, en het aantal vierkante meter verbruikersoppervlak. Samen komt daar een waarde uit die staat voor de Energie-index. Dat is dus nauwkeurig maar zegt niets over de energierekening van de bewoner. 

 

Richtlijnen en handleidingen

“Bij IDEA-Nederland werken we meestal met EPA-W”, zegt Deelen. “Als je per project echt alles nauwkeurig invult, krijg je daar ook een nauwkeurige score uit en daar kun je een maatadvies op baseren.” Nu werken we volgens de ISSO 82.1 Energieprestatie woningen met een nader voorschrift voor de woningen, volgens de Handleiding Energieprestatie utiliteitsgebouwen ISSO 75.1 voor de utiliteitsbouw, en volgens de BRL9500, het certificaat voor energieprestatieadvisering.  

En dan zijn er nog de BEG (Besluit Energieprestatie Gebouwen) en de REG (Regeling Energieprestatie Gebouwen) die zijn bepaald door de Europese EPBD (Energy Performance of Buildings Directive). Daar komt uiteindelijk alles vandaan. Over de hele breedte van de bouwkolom komt daar straks een laag tussen in de vorm van de NTA 8800.
 

Gebouwgebonden energiestromen en gebruiker

Een installateur die in een woning of gebouw komt voor een renovatie met duurzaamheid, energiebesparing en comfortverbetering als doel, moet vooral goed naar de gebouwgebonden energiestromen én naar de gebruiker kijken, zegt Michel Deelen. “Als je die twee invalshoeken combineert, kom je het verst.” 

 

Integraal verduurzamen

Veel wat oudere woningen zullen op termijn verduurzaamd worden. Voor een groot deel is dat een bouwkundig proces dat bestaat uit isoleren. De installateur of installatieadviseur – die laatste zal in de toekomst een steeds belangrijkere rol gaan spelen – moet zich dan realiseren: de woning is geïsoleerd, dat betekent dat er nu ook geventileerd moet worden. Welke oplossingen hebben we daar op dit moment voor ter beschikking? Hij kan adviseren om vraaggestuurd of mechanisch te gaan ventileren, maar misschien komt hij uit op ventilatie met warmteterugwinning (wtw), al dan niet centraal. 

 

Adviseren volgens ambitie opdrachtgever

De installateur is dus superbelangrijk als het om kennis en advies gaat en hij moet zo’n keuze kunnen toelichten. De opdrachtgever is degene die aangeeft volgens welk energielabel hij het project wil laten keuren. Als hij aangeeft dat hij streeft naar een A++ dan weet een installateur dat hij qua installaties verder moet gaan dan de standaardvoorzieningen. En voor een energielabel A+++ is een andere insteek en uitwerking nodig dan voor een label B.  

 

A++ energielabel

Deelen: “Om op een A++ energielabel uit te komen, moet je wel de juiste keuzes maken. Door gebruik te maken van kwaliteitsverklaringen op de opwekkingstoestellen, isolatie en beglazing kan je gemakkelijker een beter label behalen. Een ErP-label (Energy related Product) op een ketel of een pomp, bijvoorbeeld, wordt dan achter de schermen meegerekend. Het ErP-label komt dus niet 1-op-1 in de EPA, maar de achterliggende getallen kunnen de EPA-score wel degelijk beïnvloeden.

 

BREEAM-certificaat

Een BREEAM-certificaat is geen energielabel maar een keurmerk. Het zegt in de praktijk vaak meer omdat zowel het gebouw als de gebruiker erin centraal staan. BREEAM is een nauwkeurig instrument dat veel meer meet dan de gebouwgebonden energiestromen. Hoe ga je het toilet doorspoelen? Hangt er een luchtdroger voor de handen, of is er een dispenser voor papieren handdoekjes? Wat voor zeep is er? En ga zo maar door. Al met al geeft dat een ontzettend secuur beeld van de duurzaamheidprestatie van een gebouw. 

 

BREEAM NL In-Use

Voor de utiliteitsbouw is BREEAM NL In-Use een goede methode om de duurzaamheid te meten. De monitoring heeft betrekking op drie onderdelen. ‘Asset’ gaat over de duurzame prestaties van het gebouw, ‘beheer’ betreft het duurzame beheer van het gebouw, en bij ‘gebruik’ kijkt men naar het duurzame gebruik van het gebouw.
De drie onderdelen worden beoordeeld aan de hand van negen duurzaamheidscategorieën: management, gezondheid, energie, transport, water, materialen, afval, landgebruik & ecologie en vervuiling. Per onderdeel kan een score worden behaald. Deze score is een optelsom van de deelscores voor de verschillende duurzaamheidscategorieën, zoals management, energie, transport en afval.
De totaalscore per onderdeel wordt vermeld in sterren. Bij de score hoort een toelichting van In-Use. Met het systeem van BREEAM-NL In-Use is het mogelijk om van een bestaand gebouw eerst als het ware een nulmeting te maken. Die score kan uitgangspunt zijn om de duurzaamheid op te schroeven en de score te verbeteren.  

 

Het puntensysteem van BREEAM.

Greencalc, GPR Gebouw, BREEAM en LEED

Deelen vervolgt: “Met keurmerken zoals Greencalc, GPR Gebouw, BREEAM en LEED geven opdrachtgevers, architecten en aannemers een statement af: kijk, dit gebouw is duurzaam.” Grote multinationals die een prestigieus gebouw laten neerzetten, gebruiken dergelijke labels om hun duurzame imago uit te dragen. Het kan ook helpen om in aanmerking te komen voor een subsidie of belastingvoordeel, zoals MIA of VAMIL.
Voor de woningbouw ligt het anders. De overheid legt woningcorporaties op om in 2021 hun gemiddelde woningvoorraad op label B (met een EI 1.21 – 1.40) te hebben. In 2025 moet label A (EI 0.81 – 1.20) gehaald zijn, en in 2050 is de norm energieneutraal.
 

 

Voorlopig energielabel op de schop

“Ik denk dat het goed is dat er een soort ‘grote schoonmaak’ plaatsvindt als het om energielabels gaat”, besluit Michel Deelen. “Hier en daar worden appels met peren vergeleken en dat is heel verwarrend. Het hele verhaal van het voorlopige energielabel definitief maken is nog steeds niet goedgekeurd door Europa. Het is natuurlijk handig dat een woningeigenaar zo’n label via internet kan opvragen, maar hoe borg je de kwaliteit, hoe controleer je een en ander?

Ik verwacht dat met de invoering van BENG die hele status van de voorlopige energielabels op de schop gaat. Het is nodig om de verschillende labels op elkaar af te stemmen en duurzaamheid in één eenheid te vangen. Dat dat vastgelegd wordt in x-aantal kWh per m2 gebruiksoppervlak per jaar is volgens mij een prima idee.”

Reageer op dit artikel