Hoewel de eerste Nederlandse warmtenetten uit de jaren vijftig stammen, kregen ze rond 2010 een boost als onderdeel van klimaatbeleid met als doel: van het gas af. Collectieve warmte zou niet alleen duurzaam zijn, maar ook sociaal, want ook geschikt voor slecht geïsoleerde huurwoningen.
Lees ook deel 1: Het faillissement van commerciële warmtenetten
Bijna alle grootschalige warmtenetten liggen in sociale huurwijken. Dat is geen toeval. Woningcorporaties vormen betrouwbare afnemers, kunnen besluiten voor hele complexen nemen en krijgen vaak subsidie voor collectieve verduurzaming. Voor warmtebedrijven is dat ideaal: één contract, gegarandeerde afname, lage transactiekosten.
Paradox 1: Isoleren of aansluiten?
In veel van deze wijken zijn de woningen slecht geïsoleerd en kampen bewoners met armoede. Maar energetische upgrades zijn duur en complex dus in plaats van €40.000 in een grondige renovatie te steken, kiezen corporaties liever voor €5.000 tot €7.000 voor een aansluiting op een warmtenet. Niet alleen goedkoper, maar technisch minder ingewikkeld en beleidsmatig eenvoudiger te regelen. Een gunstig energielabel zonder de bouwkundige schil aan te pakken.
Als dat voor de bewoners een lagere energierekening had opgeleverd, was de gemiste kans op echte energiebesparing te vergeven, maar in de meeste gevallen bleek het warmtenet voor de meest kwetsbare gezinnen een Trojaans paard met tot 50% hogere kosten dan voor een gasaansluiting. De groepen die het minst te besteden hebben, betalen het meest voor warmte en kunnen daar geen invloed op uitoefenen.
Paradox 2: energiebesparing ongewenst
De tweede paradox is dat corporaties die wél serieus isoleren, de businesscase voor het warmtenet ondergraven, want voor een economisch gezond warmtenet heb je een stabiele warmtevraag nodig. Elke besparing vermindert de variabele inkomsten, terwijl de vaste kosten voor de infrastructuur blijven. Dat maakt warmtenetten allergisch voor succes: hoe energiezuiniger de woningen, hoe minder rendabel het systeem. Zelfs bij vaste kosten die tot twee zo hoog zijn als bij gasverwarming, waardoor besparing op individueel niveau voor bewoners maar matig wordt beloond.
Corporaties worden door de huidige regels vooral beloond voor volume, niet voor kwaliteit. Daardoor ontstaat een perverse prikkel om te voldoen aan de onderkant van de norm, wat meestal ook de enige haalbare route is binnen het beschikbare budget.
Paradox 3: collectieve warmte individueel gefinancierd
Officieel zijn warmtenetten publieke nutsvoorzieningen. In werkelijkheid zijn het hybride constructies van private bedrijven met publieke steun. Gemeenten investeren in leidingen, garanderen leningen of nemen zelf aandelen, terwijl het commerciële risico grotendeels bij de bewoners ligt.
De vaste lasten – soms meer dan duizend euro per jaar – worden volledig betaald door de aangesloten huishoudens. Anders dan bij het landelijke elektriciteits- of gasnet, waar de infrastructuur via landelijke tarieven door alle gebruikers wordt bekostigd, wordt een warmtenet niet door het ganse land, maar door de op het project aangesloten huishoudens gefinancierd.
De ongelijkheid is structureel. Warmtenetten worden verkocht als collectieve voorziening, maar functioneren als een gesloten monopoliesysteem, waarin bewoners geen keuzevrijheid hebben en niet kunnen profiteren van concurrentievoordelen.
Het contrast met de elektriciteitsinfrastructuur is opvallend. Netbeheerders investeren miljarden in verzwaring en digitalisering, gefinancierd via landelijke tarieven. Iedereen draagt bij, ongeacht gebruik.
Paradox 4: geen winst, wel verlies
In de Warmtewet 2.0 uit 2020 wordt publiek eigendom als alternatief voor de winst gedreven commerciële warmteboeren gepromoot. Gemeenten krijgen meer zeggenschap en kunnen publieke doelen voorrang geven boven rendement.
Maar… elke euro die een gemeente investeert in een warmtenet, kan niet meer worden uitgegeven aan andere publieke taken. De financiering van warmteprojecten komt uit hetzelfde budget waar ook jeugdzorg, bibliotheken, onderhoud en sportvoorzieningen uit worden betaald. De keuze voor een collectief warmtesysteem verdringt andere sociale prioriteiten.
Komt bij dat de meeste gemeenten expertise en capaciteit ontberen om complexe warmteprojecten te beheren. De risico’s van kostenoverschrijding, bronuitval of wanbeheer zijn groot. Voor een publiek private samenwerking waarbij commerciële partijen kennis en kunde inbrengen, maar de gemeente een meerderheidsaandeel heeft, bestaat in de markt geen interesse, omdat geen aandeelhouders vergadering dat goed zou keuren.
Een rekenkameronderzoek in 2024 wees uit dat veel gemeentelijke warmteprojecten afhankelijk zijn van optimistische aannames over deelname en warmteprijs. Kleine afwijkingen kunnen leiden tot miljoenenverliezen. En omdat warmtebedrijven wettelijk verplicht zijn om afnemers te blijven bedienen, draaien gemeenten uiteindelijk op voor tekorten.
Met de publieke overname van warmtenetten verandert dus vooral wie de verliezen draagt, niet of ze verdwijnen. Samenvattend: de publieke sector ‘redt’ een systeem dat de markt niet meer wil, en laat individuele burgers opdraaien voor de kosten. En dat zijn vooral de groepen die geen cent kunnen missen.
Lees verder in Red de warmtetransitie













